Posted by on 12th May 2017

Je kent het vast wel, van dat commentaar van familie, vrienden, willekeurige voorbijgangers en ga zo nog maar door in het kader: “Je moet helemaal niet dragen, want daarvan wordt je kind alleen maar afhankelijk”. De ‘goedbedoelde’ adviezen over hoe het allemaal wél moet volgen al snel. Je kindje moet weggelegd worden, in een wagen, een (eigen) bedje, een box. Je moet er vooral niet teveel aandacht aan besteden, doe die deur maar dicht en het huilen houdt vanzelf op (de biologie daarachter laat ik hier even achterwege)…

Hoe vaker ik het hoor, hoe meer het klinkt als een Middeleeuwse martelmethode. En dat, terwijl in de Middeleeuwen kinderen helemaal niet zo behandeld werden. Echt niet. Hoe zijn we zo ver van onze natuur af gaan staan? Ik heb het me wel eens oprecht afgevraagd en daarmee ook onderzocht. Om mijn bevindingen te delen, schrijf ik dit even uit.

Laten we even voor het gemak bij het ‘begin’ beginnen. Want wat zijn wij eigenlijk? Daar valt niet heel veel discussie over te voeren (zelfs niet met de meest stugge oom of tante), wat dat is pure biologie. Wij zijn zoogdieren. Of je er nu voor kiest om je kind fysiek te zogen of de fles te geven maakt in feite niet uit, we zijn nog steeds geen reptielen of amfibieën. We voldoen aan alle vijf kenmerken die een zoogdier worden toegedicht (warmbloedig, haar over ons hele lichaam, levendbarend, zeven nekwervels én het zogen van ons kind).

Dan de volgende onderverdeling, want onder de zoogdieren hebben we (slechts) drie soorten. De eerste soort zijn de verstoppers, denk hierbij bijvoorbeeld aan vosjes. Deze dieren worden in een donker holletje door mama achter gelaten als ze gaat jagen. De kindjes blijven muisstil liggen tot mama terug komt en maken daarna pas weer geluid. Je hebt niet heel erg veel ervaring nodig met onze kinderen om te weten dat dit niet voor de onze opgaat.

De tweede soort zijn de vluchters, denk aan paarden. Deze dieren kunnen binnen een uur of maximaal twee mee met de kudde. Die heel erg volgroeid worden geboren en snel snappen hoe die lange benen onder hun lijf werken. Snel staan en vooral ook rennen is van levensbelang. Gezien het feit dat onze kindjes dit pas na ongeveer een jaar (of soms nog later) kunnen geeft heel makkelijk aan dat wij dus ook niet tot deze groep behoren.

Als laatste zijn er de dragers. Kijk maar naar alle apensoorten. De soorten waar wij puur op DNA ook het meeste bij aansluiten immers. Zij dragen hun kindjes zodat ze kunnen slapen én voeden op verzoek. Het is dus geen moeilijke optelsom bij welke groep onze kindjes, waar wij horen.

Logisch nagedacht is het dus simpel, heel kort door de bocht zijn we dus niets anders dan zoogdieren én dragers. We kunnen niets anders zijn. Het zou immers arrogant zijn om te bedenken dat we een unieke soort zijn. Toch?

Het moment in de geschiedenis waarop onze ‘draagdagen’ ophielden is overigens ook te achterhalen en dat is niet eens zo lang geleden. Althans, te lang voor ons om te herinneren als logisch gedrag, maar biologisch veel te kort voor onze kindjes om dat uit het systeem te krijgen. Biologische veranderingen qua evolutie duren namelijk heel erg lang. En we zijn pas gaan duwen in plaats van dragen aan het begin van de vorige eeuw.

Om precies te zijn zo rond 1920. Toen kwam de kinderwagen binnen bereik van ‘het gewone volk’. Sinds haar uitvinding was dit ‘bedje op wielen’ slechts voor de elite te krijgen en als dusdanig werd het dus ook gezien als een luxeartikel dat ineens binnen handbereik kwam. De populariteit hiervan is dus ook niet vreemd. Mensen willen immers altijd graag luxe kunnen veroorloven. Het ‘erbij horen’ speelt hier uiteraard een rol.

Bekende kinderversjes als ‘Rijden, rijden, rijden in een wagentje en als je dan niet rijden wil dan draag ik je’ komen dus ook uit die tijd. De overgang van dragen naar duwen ging natuurlijk niet zonder slag of stoot en het gedrag van onze kindjes als we ze ‘even’ neerleggen om ‘wat zelf te doen’ is daarom ook vrij voorspelbaar. Soms gaat het even goed, maar dan verlangen ze weer naar de warmte en nabijheid van mama (of papa) en dan zul je het weten ook…

Niet gek natuurlijk als je even nadenkt. Onze kindjes hebben die warmte, die hartslag, het ruisen van de aderen en ga zo maar door negen maanden gevoeld en gehoord, van dichtbij. En wat vinden we in onze samenleving nu ‘normaal’? Wat is het advies dat je krijgt? Dat zo gauw een kindje geboren is, we hem of haar weg moeten leggen. Constant. Want nu het uit je lichaam is, moet het zichzelf maar zien te redden. Of zo.

De (bio)logica is als je even terug kijkt compleet zoek. Onze kindjes zijn namelijk geen verstoppers die zich heel stil houden in een donker hoekje tot mama terug komt, of vluchters die zichzelf voor het grootste deel kunnen redden zo gauw ze de grond raken. Onze kindjes zijn dragers, ze horen echt aan je vast te plakken tot ze zelf die ruimte kunnen zoeken. En die ruimte zoeken ze vanzelf, als ze kunnen kruipen nemen ze de eerste stukjes en tegen de tijd dat ze kunnen lopen wordt die ruimte nog veel groter.

Dat het in onze huidige samenleving de nodige problemen oplevert om volledig in die behoefte van je kindje te voorzien is absoluut waar, en daarmee een compleet andere discussie. Maar ik blijf mensen die mij vertellen dat ik mijn kindje weg moet leggen altijd vragen sinds wanneer mijn kind veranderd is in een vosje…

Posted in: Basis

Comments

Be the first to comment.

Leave a Reply


You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

*